Het Kapittel van de Grote Kerk

De periode waarin aan de Grote of Onze Lieve Vrouwe Kerke te Breda een kapittel was verbonden besloeg bijna driehonderdvijftig jaar en liep van 1303 tot en met 1648.

De eerste honderd jaar

In het jaar 1303 vermaakte een zekere Jacob bij testament zijn goederen tot oprichting van een collegiaal kapittel in de parochiekerk van Breda. De geografische ligging van Breda was een geheel andere dan die van vandaag. Natuurlijk niet in absolute zin, maar wel in relatieve zin. Breda lag nog niet in het zuiden van Nederland. Breda was een stad in het noorden van het hertogdom Brabant, vlakbij de grens met het graafschap Holland. Ook kerkelijk gezien is er sprake van een totaal andere situatie. De parochie Breda viel onder het bisdom Luik, een immens bisdom bestaande uit meerdere aartsdecanaten, waarvan Kempenland er één was. Tot dit aartsdecanaat behoorde het decanaat Hilvarenbeek en daarbinnen viel de parochie Breda. Deken van het Decanaat was de hiervoor genoemde Jacob, pastoor van Gilze en bezitter van veel goederen in de omgeving van Breda, die hij geërfd had van zijn ouders.

Middeleeuwen

We praten over de middeleeuwen, met zijn drie standen te weten de adel, de geestelijkheid en de zogenaamde derde stand, de burgerij. Deze laatste had in die tijd in Breda nog weinig macht. Eerst later, onder invloed van de ontwikkeling van de steden, kwam deze stand tot bloei. De macht werd nog gedeeld door de wereldlijk heer en de kerk. In dat licht bezien is het niet vreemd dat de toenmalige Heer van Breda, Raso II van Gavere steeds sterk heeft geijverd voor de oprichting van een kapittel. Want alhoewel hij het patronaatsrecht bezat over de kerk, was hij in veel aangelegenheden toch afhankelijk van de bisschop. Met het omvormen van de kerk tot een collegiale kerk werd deze aan het gezag van de bisschop onttrokken en gingen de bevoegdheden van de bisschop over op het kapittel. De kanunniken die het kapittel vormden werden benoemd door de Heer van Breda. De Heer van Breda kon zo het religieuze leven van Breda volledig beheersen. Via het kapittel, waarin uiteraard slechts personen werden opgenomen die hem goedgezind waren, kon hij toezien op de overige geestelijke instellingen van de stad, zoals het Begijnhof, de Heilige Geesttafel, de St. Joostkapel en de school.

Prebende

Aanvankelijk bestond het kapittel uit 8 kanunniken, waarvan er drie priester moesten zijn, drie diaken en twee subdiaken. Het voornoemde testament regelde de inkomsten van deze acht kanunniken. Deze vaste inkomsten van een kanunnik werden prebende genoemd. Elke prebende was 20 ponden Tournoois groot. Tevens werd bepaald dat de twee reeds bestaand rijke kapelaniën van ieder 40 ponden Tournoois, na vrijkomen, zouden worden opgesplitst zodat het aantal kanunniken kon uitgroeien tot twaalf. Op dit moment wordt algemeen aanvaard dat dit het uiteindelijk aantal prebendes is geworden, alhoewel onomstotelijk bewijs daarvoor nog niet geleverd is.

Het bidden van de getijden

De belangrijkste taak van het kapittel was het doen van het koorofficie. Dat is het doen van de koorgebeden, het bidden van de getijden. Om u hiervan een indruk te geven. Een getijde begon met een korte aanroeping van God gevolgd door een hymne. Vervolgens verschillende psalmen, telkens ingeleid en besloten met een wissel- of beurtzang en tot slot lezingen, die weer werden afgewisseld door wisselzangen.

Verschillende functies

Naast deze gezamenlijke taak, kon iedere kanunnik nog een eigen taak hebben. Eén der kanunniken was in ieder geval deken van het kapittel. Andere functies waren die van scholaster, cantor, pastoor en koster. De scholaster was verantwoordelijk voor het onderwijs, de cantor leidde de koorzang, de pastoor was verantwoordelijk voor de zielzorg in de parochie en de koster droeg onder andere de zorg voor de gewijde kerkgoederen. Ook op het gebied van de verzorging van armen en bejaarden en ten aanzien van andere instellingen van liefdadigheid vervulden kanunniken een rol.

Bredase elite

Volgens de bekende Bredase kroniekschrijver Van Goor zouden de kanunniken ‘uyt voorname Geslachten van Brabant en Holland zijn voortgesproten’. Dat viel eerlijk gezegd nogal tegen. Wel is gebleken dat de Bredase elite in de 14e en 15e eeuw zowel talrijke wereldlijke bestuurders leverde aan de Heer van Breda als kanunniken aan het kapittel. In dit verband kunnen de namen van de families Sterken, Van Beke, Oesterzeel, Van Meer en Buersteden worden genoemd.

Plaatsvervangers

Kanunniken lieten in veel gevallen hun diensten waarnemen door plaatsvervangers, die daarvoor een deel van de aan de prebende verbonden inkomsten kregen. Het dienst laten doen door plaatsvervangers was eerder regel dan uitzondering. In het testament van Jacob, de stichter van het kapittel, werd de vergoeding voor plaatsvervangers al geregeld.

Einde eerste ronde

Met deze algemene beschrijving kan de eerste periode worden afgesloten met als herinnering de grafmonumenten van Jan I en Jan II van Polanen in het noordelijk deel van de kooromgang van deze kerk .

De periode van de Bredase Nassau’s

Met Engelbert I trad het huis Nassau aan als Heer van Breda. Dankzij het fortuin dat zijn vrouw Johanna van Polanen inbracht in het huwelijk, kon Engelbert zich volop bezighouden met politiek. Zo heeft hij een belangrijke rol gespeeld bij het tot stand komen van het huwelijk van Jacoba van Beieren met hertog Jan van Brabant. Later zou hij een rol spelen in het oplossen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Ook heeft hij een belangrijke rol gespeeld bij de oprichting van de eerste universiteit in de lage landen, die te Leuven. Een daad van grote betekenis voor de culturele ontwikkeling van de Nederlanden.

Breda bedevaartsoord

Nadat Philips de Goede, hertog van Bourgondië, ook het hertogdom Brabant aan zich had weten te trekken bood Engelbert het Bourgondische hof zijn diensten aan. Zijn opvolger Jan IV van Nassau richtte zich meer op de ontplooiing van Breda en omgeving zelf. De stedelijke ontwikkeling kwam nu eerst goed op gang. Eén van zijn belangrijkste daden was wel het overbrengen van het Sacrament van de Nieuwervaart naar de Grote Kerk van Breda , waardoor Breda ook een belangrijk bedevaartsoord werd. Het veelluik bevindt zich sinds 2006 weer in de zogenaamde Niervaartkapel.

Gulden vlies

De waardering van de Bourgondische hertogen voor de Bredase Nassau’s zou vorm krijgen in het door Karel de Stoute opnemen van Engelbert II in de Orde van het Gulden Vlies. Hetgeen ook de vierde Bredase Nassauer, Hendrik III ten deel zal vallen. Onder deze laatste is het aanzien van de Bredase Nassau’s tot ongekende hoogte gestegen. Hij brengt het tot Opperkamerheer van keizer Karel V. Ook hij toont zich, evenals de eerste Bredase Nassauer, een bekwaam huwelijksmakelaar. Eerst tussen Maria van Bourgondië en Maximiliaan van Oostenrijk, later voor Karel V.

Renaissance

Door de zorg van Hendrik III worden de kooromgang, de Prinsenkapel en de ruimten waarin zich nu de consistoriekamer en de kapittelzaal bevinden, voltooid. Aan deze roemruchtige Heren van Breda herinneren het grote monument in de noordelijke kooromgang voor Engelbert I en Jan IV, het mooie renaissance monument in de Prinsenkapel voor Engelbert II als ook de grote reeks renaissance epitafen voor dienaren van de Heren van Breda en leden van het stadsbestuur.

Heren van Breda

Het aanzien dat de Heren van Breda hadden verkregen, heeft zijn uitstraling op de stad niet gemist. Breda ontwikkelde zich tot een stad van aanzien. De Graven van Nassau kregen te maken met het steeds ingewikkelder worden van het bestuur. Ook het toezicht op hun grote grondbezit en het begeleiden van hun uitgebreide politieke activiteiten vereiste kundige en goed opgeleide mensen. Deze ontwikkeling miste zijn uitwerking op het kapittel niet. Steeds meer kanunniken waren universitair geschoold. Onder hen bevonden zich theologen, hoogleraren, maar ook medici en diplomaten. Velen van hen zijn nog in deze kerk aanwezig door hun fraai gebeeldhouwde grafzerken.

Koperen grafplaat

Twee verdienen met naam genoemd te worden, te weten Otto en Willem van Galen. Otto van Galen is belast geweest met de opvoeding van René van Chalon, prins van Oranje, zoon uit het tweede huwelijk van Hendrik III in wie de huizen Nassau en Oranje verenigd werden tot het huis van Oranje-Nassau. Willem van Galen was pastoor en deken van het Kapittel en deken van het Dekanaat Hilvarenbeek. Aan hem behoort ongetwijfeld het fraaiste grafmonument opgericht voor een kanunnik. Het is een prachtige kopergesneden grafplaat, die naar men aanneemt in Mechelen is vervaardigd naar een ontwerp van de Haarlemse kunstenaar Maarten van Heemskerk. Dit laatste is overigens niet zeker. De grafplaat bevindt zich bij het hoogkoor.

Jan van Scorel

Ook kan worden gewezen op het altaarstuk De Vinding van het Ware Kruis. Dit veelluik is van de hand van Jan van Scorel, de bekende schilder/kanunnik. Hij behoorde tot het kapittel van St. Marie in Utrecht. Het altaarstuk is gemaakt in opdracht van René van Chalon en hangt in de Prinsenkapel.

De roerige jaren van de 80-jarige oorlog

In het midden van de 16e eeuw zal er veel gaan veranderen. Het ambt van kanunnik leed aan een zekere verwording. Veelal was louter winstbejag het motief om een kanunnikplaats na te streven. Terwijl in deze voor de rooms-katholieke kerk moeilijke tijden juist inzet en geestdrift de drijfveer hadden moeten zijn. In 1566 nodigt Willem van Oranje, Heer van Breda, rechterhand van Karel V en stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht 400 edelen uit op het Kasteel voor een vergadering. Uitkomst zal zijn een smeekschrift aan Margaretha van Parma, de toenmalige landvoogdes. In de snelle opeenvolging van gebeurtenissen is een breuk tussen Habsburg en Oranje onvermijdelijk. Willem van Oranje wordt uit al zijn rechten ontzet.

Vrijheid van de Nederlanden

Als leider van het verzet blijft hij ijveren voor vrijheid van de Nederlanden. Dit leidt tot de Pacificatie van Gent. De prins keert weer terug als Heer van Breda. In Breda, net als in Antwerpen wordt de religievrede ingevoerd. Gevolg was dat, terwijl de Grote Kerk voor de rooms-katholieken behouden bleef, de Markendaalse kerk aan de calvinisten moest worden afgestaan. De lutheranen kregen de Spilschuur. De Spilschuur stond in de Nieuwstraat en was in gebruik als opslagruimte voor de materialen die in processies en ommegangen werden gebruikt. Lang heeft deze vrede niet bestaan. In 1581 bracht de prins de kapittelgoederen onder controle van zijn raad en rekenkamer. Ook het stadsbestuur verbrak de band met de katholieke kerk volledig. Ook vindt in dat jaar een kerkenruil plaats. De Grote Kerk gaat over naar de gereformeerden en de Markendaalse kerk gaat naar de katholieken. Voor het koorofficie, de koordienst van het kapittel was deze kerk echter volledig ongeschikt. De kanunniken verlieten, om hun liturgische verplichtingen na te kunnen komen, de stad. Vermoedelijk gingen zij naar Lier. Alleen de pastoor en kanunnik Cornelis Gobbincx bleef achter.

Furie van houtepen

Het jaar 1581 zal een zeer bewogen jaar worden. Na de verovering van de stad door Haultepenne in dat jaar en de plundering van de stad door zijn soldaten, bekend onder de naam ‘de furie van houtepen’, stond het de katholieken weer vrij hun godsdienst te belijden. In dat zelfde jaar nog, 1581, kwam de bisschop van Roermond, Lindanus, als pauselijk commissaris voor 4 maanden naar Breda om orde op zaken te stellen. Sinds het concilie van Trente was Breda ingedeeld bij het bisdom Antwerpen. Bij dit concilie waren de collegiale kapittels weer onder het gezag van de bisschop geplaatst. Langdurig hebben de kapittels in Brabant zich hiertegen verzet. De elkaar opvolgende bisschoppen van Antwerpen hebben echter voet bij stuk gehouden en hun rechten af kunnen dwingen. Lindanus heeft uit ergernis over de geconstateerde wantoestanden een viertal kanunniken hun prebende, dus hun inkomsten afgenomen.

Het Turfschip

Door het turfschip sloeg in 1590 het kerkelijk klimaat weer volledig om. Officieel was het uitoefenen van de katholieke eredienst verboden, maar onder prins Maurits en daarna onder de katholieke prins Philips-Willem werd ze oogluikend toegestaan. De pastoor van Princenhage zou dienst doen als plaatsvervangend pastoor van Breda en zielzorg aan de katholieke gemeenschap van Breda blijven geven. Het kapittel had zich teruggetrokken te Brussel waar ze tot na 1625 zou blijven.

Spinola

In het jaar 1625 moest de gouverneur van Breda Justinus van Nassau de sleutels van de stad overhandigen aan Spinola, waarmee de stad weer in Spaanse handen is. Breda werd weer een katholieke stad. De Contra-reformatie kreeg haar kans. We zijn de laatste, voor het kapittel kritieke, jaren ingegaan.

Strijd tussen kapittel en bisschop

De deken van het kapittel, David à Mauden, weigerde terug te keren naar Breda. Alleen als hij een tweede prebende zou krijgen wilde hij toestemmen. Uiteraard is dit geweigerd. Hij is dan ook nooit teruggekeerd. Toch bleef hij tot het opheffen van het kapittel de deken. Jacobus Vranx had als pastoor van Princenhage langdurig de zielzorg in Breda verzorgd en meende recht te hebben op een aanstelling als pastoor van Breda en op de toewijzing van een prebende. Er is echter jarenlang strijd gevoerd tussen het kapittel en de bisschop voor het zover zou komen.

Concurrentie

Met de troepen van Spinola werd Breda zo’n 8.000 inwoners rijker, 3 à 4.000 Spaanse soldaten èn hun vrouwen en kinderen. Met hen reisden Jezuïeten en Capucijnen mee als zielzorgers. Er was duidelijk sprake van concurrentie op de markt van gelovigen. Het kapittel moest ingrijpen. Zij deed dit in 1626 in een kapittelvergadering gehouden te Brussel. Zij verdeelde de preekbeurten in de Grote Kerk tussen beide kloosterorden en bepaalde de landstaal waarin deze moesten worden gehouden. De waarnemend pastoor van Breda kreeg slechts de preekbeurten bij de ochtendmissen op zondagen en de kerkelijke feestdagen toebedeeld. Een duidelijk teken van verzet van het kapittel tegen de bisschop. Verder bepaalde het kapittel dat de paters niet in hun eigen kerken mochten preken. Daarmee voorkwam het kapittel dat de kloosterorden elkaar gelovigen konden afvangen. Het besluit werd gerechtvaardigd met de inleiding: ‘besloten voor het goed van de vrede en om schandalen, die geneigd waren ter plekke te ontstaan, te vermijden, terwijl de kerk weer aan het herleven was’.

Ingrijpen door stadsbestuur

In 1628 maakte het kapittel, althans de kanunniken die toen in Breda aanwezig waren onder leiding van de vice-deken, een nieuwe verdeling. Deze was nodig geworden omdat ook de Minderbroeders hun aandeel eisten in de kerkdiensten in de Grote Kerk. In aanvulling op deze nieuwe regeling werd bepaald dat als er in de Grote Kerk gepreekt werd, dat elders in de stad verboden was. Alle in Breda verblijvende kanunniken, en geleidelijk werden dat er meer, traden toe tot de Maria-congregatie van de Jezuïeten. De vice-deken van het kapittel, Van Asbroeck, werd zelfs hun eerste prefect in Breda. De verstandhouding onder de kloosterorden in Breda bleef slecht. Zij bestreden elkaar zelfs vanaf de preekstoel. Het kapittel bleek echter onmachtig. Eerst ingrijpen van het stadsbestuur en de bisschop kon aan het schandaal een einde maken.

Vrede van Münster

In 1637 werd Breda door prins Frederik Hendrik veroverd. Breda zou nooit meer onder gezag van de Spaanse koning komen. De vier achtergebleven kanunniken kregen enig respijt om hun zaken te regelen. In het geheim zetten zij zich nog in voor de katholieke parochie. Alhoewel zij door hun houding en gebrekkige inzet klachten kregen en ergernis opwekten bij hun parochianen. Na de Vrede van Munster, die in 1648 het einde van de tachtigjarige oorlog betekende, maakte Adriaan Verelst, als rentmeester van de geestelijke goederen van de prins van Oranje, na het luiden van de klok, bekend dat de kapittelbezittingen zijn vervallen aan de Heer Baron van Breda, Graaf van Nassau. Hiermee vielen de inkomsten voor de kanunniken definitief weg en kwam er een einde aan het bestaan van het collegiaal kapittel van de Grote of Onze Lieve Vrouwe Kerk te Breda.

De Kapittelzaal

Tot slot iets over de kapittelzaal , de oorspronkelijke wel te verstaan. De kanunniken deden hun koorgebed, het koorofficie op het hoogkoor. Staande in de koorbanken, de ene helft van de kanunniken aan de evangeliezijde, de noordzijde en de andere helft aan de epistelzijde, de zuidzijde zongen ze de wisselzangen. Zij leunden daarbij tegen miséricorden. Dat is een toepasselijke naam voor de sitterkes, want enige barmhartigheid was wel op zijn plaats voor hen die de soms langdurige getijden staande moesten doen.

Hoogkoor

De vaste plaats voor het kapittel om bijeen te komen was dus het hoogkoor. De veronderstelling dat er een tweede vaste ruimte zou zijn waar het kapittel regelmatig bijeen kwam en die dan kapittelzaal zou heten vindt waarschijnlijk zijn oorsprong in het met elkaar verwarren van de verschillende kapittels.

Hervorming

De kloosterkapittels kwamen zeer vaak bij elkaar om over allerlei zaken van gedachte te wisselen. In de meeste kloosters was daarvoor een aparte kapittelzaal of kapittelkamer aanwezig. Ook kathedrale kapittels komen, als adviserende bestuursraad van een bisschop, regelmatig bijeen. Collegiale kapittels echter, zoals dat van Breda er een is, hadden weinig reden om met elkaar te vergaderen. Om toch tenminste één maal per jaar bij elkaar te komen was in Breda in 1309 een hervorming nodig, toen naar aanleiding van een visitatie werd bepaald dat ‘gylieden jaerlyks een algemeen Kapittel zult houden, te weten daegs nae St. Servaes, waarin alle tegenwoordig zijnde Kanonniken, zonder daartoe geroepen te zijn, zullen konnen en moeten beramen en vaststellen, de zaken der voorschreve Kerk en derselver regering, op wat wyze namelyk die Kerk voor het aanstaande jaar zal moeten bestiert worden’. Bij zo weinig behoefte aan vergaderruimte is het onwaarschijnlijk dat daarvoor een aparte en speciaal ingerichte ruimte werd gereserveerd.

De consistoriekamer

De eerste maal dat het begrip kapittelzaal in verband met onze kerk wordt gebruikt is in De monumenten in de voormalige Baronie van Breda, het eerste deel van de serie De Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Dr. Kalf noemt hierin de consistoriekamer de kapittelzaal. Hetzelfde zal Pater Placidus doen in het eerste deel van de Geschiedenis van Breda. Vast staat echter dat de consistoriekamer altijd sacristie is geweest.

Geen vaste kapittelzaal

De huidige kapittelzaal krijgt zijn naam in de stukken van de voormalige restauratiecommissie. Tot het begin van de 20e eeuw is het een niet afgebouwde en nimmer ingerichte, niet toegankelijke ruimte. Na de bouw van een eenvoudige trap naar boven is de ruimte in gebruik genomen als kamer voor de opzichter van de restauratiewerken. Daarna is het een tijd lang gebruikt als archiefruimte. Ook deze ruimte kan de oorspronkelijke kapittelzaal echter niet geweest zijn. Het is aannemelijk te veronderstellen dat in de kerk geen afzonderlijke ruimte heeft bestaan, die als vaste kapittelzaal of kapittelkamer heeft dienst gedaan. Er mag van worden uitgegaan dat elke keer dat het kapittel wilde vergaderen er een geschikte ruimte werd gezocht. Dat kon ook bij één van de kanunniken thuis zijn, die in de 16e eeuw riante huizen in de buurt van de kerk bewoonden of elders in de stad.

Nader onderzoek

Een besluit van het kapittel uit 1628 echter houdt de twijfel levend. De akte besluit met ‘opgemaakt op de kapittelplaats van bovengenoemde kerk’. Kapittelplaats kan letterlijk worden opgevat. Dan is het een kamer of een zaal. Maar het kan ook in overdrachtelijke zin zijn gebruikt. Nader onderzoek is nodig om meer definitief uitsluitsel te krijgen omtrent het bestaan van een kapittelzaal, hetzij in de kerk of elders in de stad.

Grondige restauratie

Het idee voor de nu gerestaureerde kapittelzaal is in 1940 ontstaan. De eerste tekeningen stammen uit dat jaar. De toenmalige restauratiecommissie heeft zelfs een aanvang met de restauratie gemaakt. Zo zijn de nu gebruikte gewelfribben in 1942 en 1943 gesteenhouwd. De onderdelen voor de schouw zijn in 1946 en 1947 gemaakt. Ook het toegangsportaal met deur naar de kapittelzaal is nog onder verantwoordelijkheid van de toenmalige restauratiecommissie geplaatst. Zij hebben de restauratie echter nooit kunnen afronden. In de jaren 1990 – 1991 is de kapittelzaal, op basis van de oorspronkelijke ontwerpen afgebouwd. Tegen de westelijke wand van de kapittelzaal is een kast geplaatst die afkomstig is uit de voormalige herberg Prins Cardinaal. Deze herberg stond vroeger aan het kasteelplein. Zowel de schouw, als de sluitstenen zijn gesierd met beeldhouwwerk van Hans Goddefroy.

Stedenmaagd

Het middelste medaillon op de schouw stelt de stedenmaagd die onder haar voeten een draak verpletterd. De draak staat hier voor Spaanse furie en de Duitse laars. Zij wordt geflankeerd door twee engelen die een hoorn des overvloeds dragen. Is het niet zo dat de stedenmaagd alleen het goede voor moet hebben met haar stedelingen. De stedenmaagd moet daarbij laveren tussen harmonie en disharmonie. Dit zijn dan ook de onderwerpen van de medaillons ter weerszijde van de stedenmaagd. Heraldisch links zien we Kaïn en Abel met elkaar in gevecht als symbool voor de disharmonie en heraldisch rechts zijn de zonen van Kaïn afgebeeld, de één spelend op een fluit en de ander als trommelspeler, daarmee voorstellende de harmonie. In de drie sluitstenen herkennen we een steenhouwer, een straatveger en een viola da gamba speler, respectievelijk symbool voor de bouwers van de kerk, voor het onderhoud en voor feest vieren.

OFFICIËLE INGEBRUIKNEMING

De auteur, de heer J.M.W. van de Garde, lid van de restauratiecommissie en voormalig bestuurslid van de Stichting Grote of Onze Lieve Vrouwe Kerk te Breda, heeft gedeelten van bovenstaande tekst aangewend voor zijn voordracht op 1 februari 1991 ter gelegenheid van de officiële ingebruikneming van de gerestaureerde kapittelzaal.

X